banner

Recht op smartengeld zonder dat geestelijk letsel is onderbouwd met concrete gegevens

In een uitspraak van 14 september 2021 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat de aard en de ernst van de normschending en de gevolgen daarvan voor het slachtoffer mee kunnen brengen dat van aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106 aanhef en sub b BW sprake is, waardoor recht bestaat op smartengeld, ook zonder dat het geestelijk letsel is onderbouwd met concrete gegevens. In deze zaak was opzettelijk ingereden op twee politieagenten, die zich als slachtoffers c.q. benadeelde partijen in het strafproces hadden gevoegd voor vergoeding van hun letselschade. De slachtoffers in deze zaak hadden uitvoerig omschreven wat het strafbare feit met hen had gedaan. Zij hadden o.a. in hun schriftelijke slachtofferverklaring geschreven dat zij ten gevolge van de gedragingen van de verdachte voor hun leven hadden gevreesd en dat zij na het incident grote emotionele gevolgen hiervan hadden ondervonden. Zij voerden tevens aan dat zij hiervan ook last hadden gehad tijdens de uitoefening van hun werkzaamheden als politieagent.

Onderbouwing geestelijk letsel met concrete gegevens niet nodig

Voor recht op smartengeld is het dus niet noodzakelijk om het geestelijk letsel te onderbouwen met een schrijven van een psychiater of psycholoog waaruit blijkt dat sprake is van een in de psychiatrie erkend ziektebeeld, zoals een PTSS. Er kan ook recht op smartengeld bestaan zonder dat het geestelijk letsel is onderbouwd met dergelijke concrete gegevens.